Waarom is dat zo belangrijk?
Binnen die eerste hechtingsrelatie met je ouders of verzorgers leer je eigenlijk vanalles zonder dat je het doorhebt.
Je ontdekt:
- of je ouder/verzorger je beschermt,
- of je op hen kan vertrouwen,
- en of ze jouw noden (warmte, troost, honger, nabijheid…) beantwoorden.
Als je ouder/verzorger daar meestal wél op ingaat, dan groei je op in een veilige omgeving. Dat noemen we een veilige hechting. En weet je: dat hoeft helemaal niet perfect te zijn! Onderzoek toont dat maar ongeveer 30% van je noden écht moet gematcht worden. Je ouders hoeven dus niet altijd klaar te staan, maar gewoon vaak genoeg om je te laten voelen: “ik ben veilig en ik mag er zijn.” Iedereen met kinderen weet dat 30% van de noden van je kleine pagadder, nog altijd de moeite waard is. Zeker gezien het wandelende “behoefte”-makertjes zijn. 🙂
In zo’n veilige hechting leer je stilaan je eigen gevoelens en gedachten beter begrijpen en dat die soms anders zijn dan die van anderen. Hier begint de eerste vorm van emotieregulatie: voelen, benoemen en leren omgaan met wat er vanbinnen gebeurt.
Hechting is dus niet alleen belangrijk voor je overleving (dat we veilig zijn, beschermd worden en niet verhongeren), maar ook voor je sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling.
De eerste grote onderzoeker die dit allemaal in kaart bracht, was John Bowlby (een Britse psychiater, 1907-1990). Hij zei het zo mooi:
“Hechting is een primaire levensbehoefte, net zo essentieel als eten en drinken.”

